
Jurisprudentie
BB9633
Datum uitspraak2007-11-19
Datum gepubliceerd2007-12-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersPIJ 2007\241
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersPIJ 2007\241
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank heeft de pij-maatregel verlengt tot 8-1-2008.
De officier van justitie vordert verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die is opgelegd op 12 februari 2001, onherroepelijk geworden op
8 januari 2002 en waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen op 1 juli 2005. Hij stelt zich op het standpunt dat er ruimte is de maatregel met een vol jaar te verlengen en de advocaat-generaal heeft zich daarbij aangesloten. Het hof begrijpt dat het gevolg van deze benadering is dat de wet ruimte laat de maatregel (telkens) te verlengen tot (uiterlijk) 1 juli 2011. Volgens de rechtbank is bepalend een termijn van de maatregel die begint op de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis en die gelet op de termijn van zes jaar als bedoeld in artikel 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ten hoogste kan duren tot 8 januari 2008.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan het thans geldende en in 2005 gewijzigde artikel 77s, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht. In een overgangsregeling is niet voorzien en de parlementaire geschiedenis verschaft geen opheldering. Naar het oordeel van het hof strekt de wetswijziging ertoe te voorkomen dat de maatregelen onbeperkt cumuleren. Gevolg van de wetswijziging is dat vanaf 1 juli 2005 aansluitende of elkaar overlappende maatregelen nimmer langer kunnen duren dan tot zes jaren gerekend vanaf de datum waarop de als laatste onherroepelijk geworden maatregel feitelijk onherroepelijk is geworden.
Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke wetstoepassing mee dat in deze zaak de maatregel kan worden verlengd tot uiterlijk 8 januari 2008. Het hof acht een dergelijke verlenging in het onderhavige geval gepast en geboden.

